|
De Brugse architect Charles Verschelde publiceerde in 1875 een schets
van hoe Brugge er in het midden van de zevende eeuw moet uitgezien hebben . Op deze
tekening plaatste hij de ommuurde en omwalde grafelijke burcht vrij centraal. In het
noordoosten ervan situeerde hij de "Maalberg". "Maal" betekent
"samenkomst" of "vergadering", want de Malleberg was de plaats waar
recht gesproken werd. Rond dit primitieve openlucht tribunaal bestond een omheining of
heg, waarvan de naam blijft bestaan in de oude "Twinstrate" die de Malleberg in
het oosten raakt. "Twin" of "tuin" betekent omheining. Vlakbij dit
tribunaal lag het galgenveld. In 1080 liet Robrecht de Fries op die plaats een kapel voor
Sint-Pieter bouwen. Later werd dit het Keerske, de kapel van de kaarsenhandelaars . De
Twijnstraat zelf mondde uit in de Ridderstraat, volgens Verschelde een van de oudste
straten van de stad, die haar naam ontleend zou hebben aan diverse "ridderlijke"
woningen die daar reeds in de twaalfde eeuw stonden.
Ondertussen leerde bijkomend onderzoek ons dat de naam
"Twijnstraat" waarschijnlijk afkomstig is van "Jan Twiin", een bewoner
van een hoekhuis daar . Deze straatnaam was al volop in gebruik in 1305.
"Ridderstraat" zou dan weer teruggaan op "Robrecht de Ruddere" die er
in 1292 woonde.
De Ridderstraat zelf zou veel ouder zijn dan haar naam suggereert. In
1962 beschreef Koch de vroege topografische ontwikkeling van de stad Brugge. Hij wees erop
dat de huizen tussen Ridderstraat en Boomgaardstraat op een hogergelegen zandrug liggen
ten westen van de Reie en ten zuiden van "Het Wijk", de toenmalige haven die
aansluiting bood op Langerei en Zwin. In de 10de eeuw zou zich hier een vroege
handelswijk bevonden hebben. Koch staaft dit met het feit dat precies hier op de hoek van
de Ridderstraat en de Sint-Walburgastraat een kapel werd gebouwd, gewijd aan de heilige
Walburga. De legende vertelt dat toen Sint-Bonifatius Vlaanderen doorkruiste op weg naar
Duitsland, hij te Brugge een kapel liet bouwen, die later uitgroeide tot de
Onze-Lieve-Vrouwekerk. Walburga, een Anglo-Saksische maagd, vergezelde hem. Zij liet hier
naar het voorbeeld van haar spirituele vader - een "Sacellum" bouwen. Na
haar dood in 792 en haar latere heiligverklaring werd dit de Sint-Walburgakerk, die tot in
de 13de eeuw bezit was van de graaf. Dat Walburga persoonlijk dit heiligdom
liet bouwen, is weinig waarschijnlijk. Wel is het een feit dat de Walburgadevotie ruim
verspreid was in de eerste helft van de 10de eeuw. Het feit dat de graaf
aanvankelijk de wereldlijke beschermheer van de handelaars was en Sint-Walburga als hun
patroonheilige gold, kan er op wijzen dat de kapel werd gebouwd in de omgeving van een van
de oudste handelswijken van Brugge . In 1239 werd vanuit de Sint-Salvatorsparochie een
nieuwe parochie Sint-Walburga gesticht, waarbij het voormalige "sacellum"
parochiekerk werd. Hoewel de godsdienstperikelen van de zestiende eeuw de kerk niet
spaarden, bleef ze het straatbeeld nog bepalen tot het einde van de achttiende eeuw. Toen
was ze dusdanig vervallen dat Maria-Theresia van Oostenrijk toestemming gaf de bouwvallige
kerk af te breken. De nabijgelegen jezuïetenkerk werd daarna door de parochianen in
gebruik genomen als nieuwe Sint-Walburgakerk .
De woning Twijnstraat 13/15 stond op een groot perceel tussen de
Sint-Walburgastraat en de Twijnstraat, tegenover de kerk.
Dirk Van Eenhooge beschrijft de vroege stadsontwikkeling op basis van
huizenonderzoeken die hij de laatste jaren uitvoerde voor Monumenten en Landschappen.
Vanaf de tiende eeuw vormde Brugge zich als een nederzetting in de omgeving van de
grafelijke burcht. Rijke handelaars verwierven vanaf de twaalfde eeuw uitgestrekte
domeinen in de zich ontwikkelende stad. Hun stenen woningen hadden kleinere bijgebouwen
die dienden tot keuken, stallingen of personeelsverblijven. Tussen deze oorspronkelijk
vrijstaande woningen ontstonden vanaf de veertiende eeuw kleinere percelen die
langzamerhand ook bebouwd geraakten. Grote huizen werden na verloop van tijd opgesplitst
tot meerdere woningen. Vooral in de achttiende en negentiende eeuw werd grondig verbouwd .
Ook Twijnstraat 13/15 gaat terug op een zeer oude woning: met name "In
Sint-Jacobs". Van Eenhooge dateert de woning in de tweede helft van de dertiende
eeuw, met grondige verbouwingen in de veertiende eeuw .
Vanaf de late 14de eeuw werd de onderzochte woning vermeld
als "het achterhuis van Sint-Jacobs". Het pand had geen rechtstreekse buren. In
het oosten lagen de erven van woningen in de Ridderstraat: het hoekhuis met de
Sint-Walburgastraat was oorspronkelijk een herberg, het hoekhuis aan de kant van de
Twijnstraat was eerst een lombard geweest, later een herberg. In de 16de eeuw
stonden er privéwoningen . In het westen lagen de achterhuizen van de hostelrie "De
Magdaleene" , daarnaast een achterpoortje van de westelijke buurwoning van De
Magdaleene, tegenover de Korte Kelkstraat . Ten westen van dit achterpoortje lag de
herberg "De Drie Koningen" , die oorspronkelijk uit drie houten huisjes bestond,
maar later een mooi versierde stenen gevel kreeg .
Dit voormalige achterhuis van Sint-Jacobs was in het midden van de
zestiende eeuw al een onafhankelijke woning. Van Sint-Jacobs zelf waren geen sporen meer
te vinden. Deze situatie is terug te vinden op het stadsplan van Marcus Gerards van 1562.
De woning die we hier bestuderen ligt net achter de toren van de Sint-Walburgakerk. In
1651 kreeg het huis een uithangbord "De Vergulde Fonteyne", maar erg lang droeg
het deze naam niet.
Van een commerciële naar een residentiële buurt:
de buurt rond "In Sint-Jacobs" als spiegel van Brugges economisch verval
Het huis "In Sint-Jacobs" lag in de late Middeleeuwen in een
buurt die duidelijk getaxeerd was op de (internationale) handel. De huizen in de buurt
waren voorzien van ruime kelders en hadden in de 15de eeuw een uitgesproken
commerciële functie. "De Magdaleene" was een hostelrie; "De Drie
Koningen" en het hoekhuis Ridderstraat-Sint-Walburgastraat waren herbergen; het huis
"Ten Albeerten" op de hoek van de Ridderstraat en de Twijnstraat speelde als
lombard een rol in de geldhandel. "In Sint-Jacobs" zelf werd in de 15de
eeuw bewoond door makelaars.
Bij de overgang van de 15de naar de 16de eeuw nam
Antwerpen Brugges rol over als handelsmetropool van Noordwest-Europa. De levendige
internationale handel in de stad werd herleid tot de Spaanse (later aangevuld met de
Engelse) wolhandel, duidelijk geconcentreerd in het Spaanse kwartier. Brugse
handelscompagnieën bleven zich internationaal oriënteren maar beschikten daartoe niet
noodzakelijk over handelsinfrastructuur in eigen stad; veeleer opereerden ze vanuit de
Antwerpse markt.
Deze verschuiving van de internationale handel laat zich aflezen in de
buurt rond Sint-Walburga. Huizen verloren hun commerciële functie, werden verbouwd tot
nieuwe, ruime residenties of kregen in hun bestaande vorm een nieuwe bestemming als ruime
stadspaleizen. De nieuwe bewoners waren niet langer actief in de handel, maar behoorden
tot een kapitaalkrachtige stadselite: ambtsadel, hogere geestelijkheid, leden van de
hogere bestuurskringen en topambtenaren. Figuren als Cornelis van Baersdorp, Hiëronymus
Clichthove en Karel Laurin kochten deze ruime panden om er royaal en luxueus te wonen naar
hun stand.
De herberg op de hoek van de Ridderstraat en de Sint-Walburgastraat, het
buurhuis van "In Sint-Jacobs", werd in het midden van de 16de eeuw
bewoond door Cornelis van Baersdorp (+ 1565). Cornelis was lijfarts geweest van Karel V en
Eleonora, Karels zus en gemalin van de Franse renaissancekoning Frans I. In het midden van
de 16de eeuw keerde hij naar zijn moederstad terug en betrok er met zijn
uitgebreid dienstpersoneel en familie het bovengenoemde ruime huis. Zo werden de stallen
toen ingenomen voor de eigen paarden; een palfrenier stond in voor de verzorging. Cornelis
had een adellijke titel verworven, was een gerespecteerd burgemeester van Brugge in de
vroege jaren zestig van de 16de eeuw en bood in zijn huis jarenlang
gastvrijheid aan de theoloog en humanist Joris Cassander, een graag geziene gast aan de
Europese vorstenhoven van die tijd . De volledige huizenblok aan de Ridderstraat tussen
Twijnstraat en Walbrugastraat werd vervolgens verbouwd door de juristenfamilie Thyrin.
Eveneens uit Parijs kwam in de jaren dertig van de 16de eeuw
Hiëronymus Clichthove zich in Brugge vestigen. Hij verwierf het huis "In
Sint-Jacobs". Ook Clichthove behoorde tot een familie die tot in de hoogste
bestuurskringen in Vlaanderen was doorgedrongen. Hijzelf was een intellectueel met
internationale uitstraling die zijn loopbaan volmaakte als bedienaar aan de prestigieuze
Sint-Donaaskerk. De verbouwingswerken aan "In Sint-Jacobs" (uitbouw voorgebouw;
verwijderen op het perceel van de huizen die uitgaven op de Sint-Walburgastraat) die het
huis wellicht hadden omgeturnd tot een luxueuze stadsresidentie waren al achter de rug
toen Hiëronymus in 1531 het pand kocht.
Hiëronymus Laurin, gouverneur van Karel V en de andere kinderen van
Filips de Schone, had rijkdom vergaard als algemeen ontvanger onder Filips en als bedijker
van uitgestrekte polders nabij Biervliet (Watervliet, Waterdijk, Waterland). Zijn zonen
integreerden zich in de 16de eeuw in het stadsleven. Mark (+ 1540) werd de
beroemde deken van het Sint-Donaaskapittel, spil van een Europees humanistennetwerk en
goede vriend van Erasmus van Rotterdam. Mathias vergezelde in 1517 Karel V naar Spanje en
verbleef als thesaurier generaal vaak in Brussel en Mechelen . Hun jongere broer Karel
(1505-1552) verwierf het huis dat uitgaf op de Sint-Walburgastraat en ten oosten paalde
aan "De Magdaleene"; het grote erf met paardenstallen en bleekhof gaf achteraan
met een poortgebouw uit op de Twijnstraat . Wellicht bewoonde hij het huis zelf; na zijn
overlijden in 1552 werd het in elk geval verhuurd aan standsgenoten uit de adel, eerst aan
Eustace, de zoon van Ferry de Groz, heer van Nieuwland, in 1555 aan de weduwe van de heer
van Lannooz . Het huis had duidelijk de functie van een adellijk stadspaleis aangenomen.
In 1599 verkochten de erfgenamen van Karel Laurin het huis aan Arnout van Mechelen,
opnieuw een kanunnik verbonden aan de Sint-Donaaskathedraal .
Het enige huis dat in het midden van de 16de eeuw nog
aansloot op de laatmiddeleeuwse functie van de buurt was "De Magdaleene". In
1555 was het in bezit van een makelaar, Jan de Bavieres. Maar drie jaar later was het huis
ook al in handen van de nieuwe stedelijke elite, dit maal van een hoge ambtenaar van de
lokale besturen. In 1558 werd immers Jan van Damme, griffier van het Brugse Vrije (het
bestuur van het platteland rond Brugge), de nieuwe eigenaar .
Op het grote perceel van het voormalige "In Sint-Jacobs" staan
nu drie woningen, één aan de kant van de Sint-Walburgastraat, en twee in de Twijnstraat,
met name de nummers 13 en 15. Deze plaats heeft eeuwenlang boeiende mensen geherbergd:
handelaars, kanunniken, een kunstschilder, een landmeter, een prof in de wiskunde en
wetenschappen, nonnen uit een afgeschaft klooster, en nog vele anderen. Vandaag vervult
het opnieuw een functie dat het zovele jaren terug reeds vervulde : het onderdak verlenen
aan bezoekers van deze stad.
|