Vakantiewoningen - Holiday Rentals - Location de vacances - Ferienwohnungen
De Drie Koningen - Brugge - De Vergulde Fontein
Meeting & Lounge

Appartementen
Voorzieningen
Ligging
Prijzen
Kalender
Last Minute
Info & Reserveren
Historiek
De Vergulde Fontein
Contact

 
Bouwonderzoek
Eigenaars
Situering
 
De Drie Koningen
& De Vergulde Fontein
Twijnstraat 13-17
8000 Brugge
België

Tel +32 50 44 75 00
Fax + 32 50 44 75 05

E-mail
d3kon@telenet.be

Vakantiehuizen Holiday Rentals UK Location saisonniere Ferienwohnungen & Ferienhäuser


Situering van de woning

Uit een rapport van :
Levend Archief vzw - 23 december 1999

De Brugse architect Charles Verschelde publiceerde in 1875 een schets van hoe Brugge er in het midden van de zevende eeuw moet uitgezien hebben . Op deze tekening plaatste hij de ommuurde en omwalde grafelijke burcht vrij centraal. In het noordoosten ervan situeerde hij de "Maalberg". "Maal" betekent "samenkomst" of "vergadering", want de Malleberg was de plaats waar recht gesproken werd. Rond dit primitieve openlucht tribunaal bestond een omheining of heg, waarvan de naam blijft bestaan in de oude "Twinstrate" die de Malleberg in het oosten raakt. "Twin" of "tuin" betekent omheining. Vlakbij dit tribunaal lag het galgenveld. In 1080 liet Robrecht de Fries op die plaats een kapel voor Sint-Pieter bouwen. Later werd dit het Keerske, de kapel van de kaarsenhandelaars . De Twijnstraat zelf mondde uit in de Ridderstraat, volgens Verschelde een van de oudste straten van de stad, die haar naam ontleend zou hebben aan diverse "ridderlijke" woningen die daar reeds in de twaalfde eeuw stonden.

Ondertussen leerde bijkomend onderzoek ons dat de naam "Twijnstraat" waarschijnlijk afkomstig is van "Jan Twiin", een bewoner van een hoekhuis daar . Deze straatnaam was al volop in gebruik in 1305. "Ridderstraat" zou dan weer teruggaan op "Robrecht de Ruddere" die er in 1292 woonde.

De Ridderstraat zelf zou veel ouder zijn dan haar naam suggereert. In 1962 beschreef Koch de vroege topografische ontwikkeling van de stad Brugge. Hij wees erop dat de huizen tussen Ridderstraat en Boomgaardstraat op een hogergelegen zandrug liggen ten westen van de Reie en ten zuiden van "Het Wijk", de toenmalige haven die aansluiting bood op Langerei en Zwin. In de 10de eeuw zou zich hier een vroege handelswijk bevonden hebben. Koch staaft dit met het feit dat precies hier op de hoek van de Ridderstraat en de Sint-Walburgastraat een kapel werd gebouwd, gewijd aan de heilige Walburga. De legende vertelt dat toen Sint-Bonifatius Vlaanderen doorkruiste op weg naar Duitsland, hij te Brugge een kapel liet bouwen, die later uitgroeide tot de Onze-Lieve-Vrouwekerk. Walburga, een Anglo-Saksische maagd, vergezelde hem. Zij liet hier – naar het voorbeeld van haar spirituele vader - een "Sacellum" bouwen. Na haar dood in 792 en haar latere heiligverklaring werd dit de Sint-Walburgakerk, die tot in de 13de eeuw bezit was van de graaf. Dat Walburga persoonlijk dit heiligdom liet bouwen, is weinig waarschijnlijk. Wel is het een feit dat de Walburgadevotie ruim verspreid was in de eerste helft van de 10de eeuw. Het feit dat de graaf aanvankelijk de wereldlijke beschermheer van de handelaars was en Sint-Walburga als hun patroonheilige gold, kan er op wijzen dat de kapel werd gebouwd in de omgeving van een van de oudste handelswijken van Brugge . In 1239 werd vanuit de Sint-Salvatorsparochie een nieuwe parochie Sint-Walburga gesticht, waarbij het voormalige "sacellum" parochiekerk werd. Hoewel de godsdienstperikelen van de zestiende eeuw de kerk niet spaarden, bleef ze het straatbeeld nog bepalen tot het einde van de achttiende eeuw. Toen was ze dusdanig vervallen dat Maria-Theresia van Oostenrijk toestemming gaf de bouwvallige kerk af te breken. De nabijgelegen jezuïetenkerk werd daarna door de parochianen in gebruik genomen als nieuwe Sint-Walburgakerk .

De woning Twijnstraat 13/15 stond op een groot perceel tussen de Sint-Walburgastraat en de Twijnstraat, tegenover de kerk.

Dirk Van Eenhooge beschrijft de vroege stadsontwikkeling op basis van huizenonderzoeken die hij de laatste jaren uitvoerde voor Monumenten en Landschappen. Vanaf de tiende eeuw vormde Brugge zich als een nederzetting in de omgeving van de grafelijke burcht. Rijke handelaars verwierven vanaf de twaalfde eeuw uitgestrekte domeinen in de zich ontwikkelende stad. Hun stenen woningen hadden kleinere bijgebouwen die dienden tot keuken, stallingen of personeelsverblijven. Tussen deze oorspronkelijk vrijstaande woningen ontstonden vanaf de veertiende eeuw kleinere percelen die langzamerhand ook bebouwd geraakten. Grote huizen werden na verloop van tijd opgesplitst tot meerdere woningen. Vooral in de achttiende en negentiende eeuw werd grondig verbouwd . Ook Twijnstraat 13/15 gaat terug op een zeer oude woning: met name "In Sint-Jacobs". Van Eenhooge dateert de woning in de tweede helft van de dertiende eeuw, met grondige verbouwingen in de veertiende eeuw .

Vanaf de late 14de eeuw werd de onderzochte woning vermeld als "het achterhuis van Sint-Jacobs". Het pand had geen rechtstreekse buren. In het oosten lagen de erven van woningen in de Ridderstraat: het hoekhuis met de Sint-Walburgastraat was oorspronkelijk een herberg, het hoekhuis aan de kant van de Twijnstraat was eerst een lombard geweest, later een herberg. In de 16de eeuw stonden er privéwoningen . In het westen lagen de achterhuizen van de hostelrie "De Magdaleene" , daarnaast een achterpoortje van de westelijke buurwoning van De Magdaleene, tegenover de Korte Kelkstraat . Ten westen van dit achterpoortje lag de herberg "De Drie Koningen" , die oorspronkelijk uit drie houten huisjes bestond, maar later een mooi versierde stenen gevel kreeg .

Dit voormalige achterhuis van Sint-Jacobs was in het midden van de zestiende eeuw al een onafhankelijke woning. Van Sint-Jacobs zelf waren geen sporen meer te vinden. Deze situatie is terug te vinden op het stadsplan van Marcus Gerards van 1562. De woning die we hier bestuderen ligt net achter de toren van de Sint-Walburgakerk. In 1651 kreeg het huis een uithangbord "De Vergulde Fonteyne", maar erg lang droeg het deze naam niet.

Van een commerciële naar een residentiële buurt:
de buurt rond "In Sint-Jacobs" als spiegel van Brugges economisch verval

Het huis "In Sint-Jacobs" lag in de late Middeleeuwen in een buurt die duidelijk getaxeerd was op de (internationale) handel. De huizen in de buurt waren voorzien van ruime kelders en hadden in de 15de eeuw een uitgesproken commerciële functie. "De Magdaleene" was een hostelrie; "De Drie Koningen" en het hoekhuis Ridderstraat-Sint-Walburgastraat waren herbergen; het huis "Ten Albeerten" op de hoek van de Ridderstraat en de Twijnstraat speelde als lombard een rol in de geldhandel. "In Sint-Jacobs" zelf werd in de 15de eeuw bewoond door makelaars.

Bij de overgang van de 15de naar de 16de eeuw nam Antwerpen Brugges rol over als handelsmetropool van Noordwest-Europa. De levendige internationale handel in de stad werd herleid tot de Spaanse (later aangevuld met de Engelse) wolhandel, duidelijk geconcentreerd in het Spaanse kwartier. Brugse handelscompagnieën bleven zich internationaal oriënteren maar beschikten daartoe niet noodzakelijk over handelsinfrastructuur in eigen stad; veeleer opereerden ze vanuit de Antwerpse markt.

Deze verschuiving van de internationale handel laat zich aflezen in de buurt rond Sint-Walburga. Huizen verloren hun commerciële functie, werden verbouwd tot nieuwe, ruime residenties of kregen in hun bestaande vorm een nieuwe bestemming als ruime stadspaleizen. De nieuwe bewoners waren niet langer actief in de handel, maar behoorden tot een kapitaalkrachtige stadselite: ambtsadel, hogere geestelijkheid, leden van de hogere bestuurskringen en topambtenaren. Figuren als Cornelis van Baersdorp, Hiëronymus Clichthove en Karel Laurin kochten deze ruime panden om er royaal en luxueus te wonen naar hun stand.

De herberg op de hoek van de Ridderstraat en de Sint-Walburgastraat, het buurhuis van "In Sint-Jacobs", werd in het midden van de 16de eeuw bewoond door Cornelis van Baersdorp (+ 1565). Cornelis was lijfarts geweest van Karel V en Eleonora, Karels zus en gemalin van de Franse renaissancekoning Frans I. In het midden van de 16de eeuw keerde hij naar zijn moederstad terug en betrok er met zijn uitgebreid dienstpersoneel en familie het bovengenoemde ruime huis. Zo werden de stallen toen ingenomen voor de eigen paarden; een palfrenier stond in voor de verzorging. Cornelis had een adellijke titel verworven, was een gerespecteerd burgemeester van Brugge in de vroege jaren zestig van de 16de eeuw en bood in zijn huis jarenlang gastvrijheid aan de theoloog en humanist Joris Cassander, een graag geziene gast aan de Europese vorstenhoven van die tijd . De volledige huizenblok aan de Ridderstraat tussen Twijnstraat en Walbrugastraat werd vervolgens verbouwd door de juristenfamilie Thyrin.

Eveneens uit Parijs kwam in de jaren dertig van de 16de eeuw Hiëronymus Clichthove zich in Brugge vestigen. Hij verwierf het huis "In Sint-Jacobs". Ook Clichthove behoorde tot een familie die tot in de hoogste bestuurskringen in Vlaanderen was doorgedrongen. Hijzelf was een intellectueel met internationale uitstraling die zijn loopbaan volmaakte als bedienaar aan de prestigieuze Sint-Donaaskerk. De verbouwingswerken aan "In Sint-Jacobs" (uitbouw voorgebouw; verwijderen op het perceel van de huizen die uitgaven op de Sint-Walburgastraat) die het huis wellicht hadden omgeturnd tot een luxueuze stadsresidentie waren al achter de rug toen Hiëronymus in 1531 het pand kocht.

Hiëronymus Laurin, gouverneur van Karel V en de andere kinderen van Filips de Schone, had rijkdom vergaard als algemeen ontvanger onder Filips en als bedijker van uitgestrekte polders nabij Biervliet (Watervliet, Waterdijk, Waterland). Zijn zonen integreerden zich in de 16de eeuw in het stadsleven. Mark (+ 1540) werd de beroemde deken van het Sint-Donaaskapittel, spil van een Europees humanistennetwerk en goede vriend van Erasmus van Rotterdam. Mathias vergezelde in 1517 Karel V naar Spanje en verbleef als thesaurier generaal vaak in Brussel en Mechelen . Hun jongere broer Karel (1505-1552) verwierf het huis dat uitgaf op de Sint-Walburgastraat en ten oosten paalde aan "De Magdaleene"; het grote erf met paardenstallen en bleekhof gaf achteraan met een poortgebouw uit op de Twijnstraat . Wellicht bewoonde hij het huis zelf; na zijn overlijden in 1552 werd het in elk geval verhuurd aan standsgenoten uit de adel, eerst aan Eustace, de zoon van Ferry de Groz, heer van Nieuwland, in 1555 aan de weduwe van de heer van Lannooz . Het huis had duidelijk de functie van een adellijk stadspaleis aangenomen. In 1599 verkochten de erfgenamen van Karel Laurin het huis aan Arnout van Mechelen, opnieuw een kanunnik verbonden aan de Sint-Donaaskathedraal .

Het enige huis dat in het midden van de 16de eeuw nog aansloot op de laatmiddeleeuwse functie van de buurt was "De Magdaleene". In 1555 was het in bezit van een makelaar, Jan de Bavieres. Maar drie jaar later was het huis ook al in handen van de nieuwe stedelijke elite, dit maal van een hoge ambtenaar van de lokale besturen. In 1558 werd immers Jan van Damme, griffier van het Brugse Vrije (het bestuur van het platteland rond Brugge), de nieuwe eigenaar .

Op het grote perceel van het voormalige "In Sint-Jacobs" staan nu drie woningen, één aan de kant van de Sint-Walburgastraat, en twee in de Twijnstraat, met name de nummers 13 en 15. Deze plaats heeft eeuwenlang boeiende mensen geherbergd: handelaars, kanunniken, een kunstschilder, een landmeter, een prof in de wiskunde en wetenschappen, nonnen uit een afgeschaft klooster, en nog vele anderen. Vandaag vervult het opnieuw een functie dat het zovele jaren terug reeds vervulde : het onderdak verlenen aan bezoekers van deze stad.

 

 

Nico Ulens & Ann Lauwers
Vitrac Services bvba - Twijnstraat 13-17 te 8000  Brugge / België
Tel : +32 (0)50 44 75 00 / Fax : +32 (0)50 44 75 05
E-mail :
d3kon@telenet.be Web : www.ddk.be